Cardiovasculaire risico’s in de apotheek

Bijna één op de vier patiënten in de apotheken werd in 2009 behandeld voor een cardiovasculair risico. Het aandeel van deze groep in de totale patiëntenpopulatie verschilt echter sterk van apotheek tot apotheek.

Vanaf 1 januari 2010 is de integrale bekostiging van de zorg voor patiënten met een verhoogd risico op hart– en vaatziekten (CVRM) van start gegaan, evenals die van patiënten met diabetes mellitus type 2 (DM type 2). In deze nieuwe bekostigingsvorm koopt de verzekeraar de zorg in bij een zorggroep voor een vast bedrag per jaar per patiënt. De zorg– en dienstverlening moeten voldoen aan de zorgstandaarden en aan voorschriften van de Nederlandse Zorgautoriteit met betrekking tot transparantie en administratie.
Farmaceutische zorg maakt vooralsnog geen deel uit van de integrale bekostiging. Het voornemen van minister Klink om de farmaceutische zorg — exclusief de kosten van geneesmiddelen — per 1 januari 2011 toe te voegen, is na de val van het kabinet door de Tweede Kamer controversieel verklaard. Ook is onzeker of de geplande uitbreiding van de integrale bekostiging met de aandoeningen COPD en hartfalen doorgaat.

Indicatie voor integrale bekostiging

Cardiovasculair risicomanagement richt zich op twee groepen patiënten, te weten de patiënten die bekend zijn met een hart– en vaatziekte en de groep die een verhoogd risico heeft, zoals mensen met een hoge bloeddruk. Voorbeelden van hart– en vaatziekten zijn angina pectoris, myocardinfarct, herseninfarct en transient ischaemic attack (TIA).
Om een inschatting te kunnen maken van het aantal patiënten voor wie de apotheek mogelijk met integrale bekostiging van CVRM te maken krijgt, moet de SFK zich baseren op medicatieprofielen, omdat de SFK niet over de reden van voorschrijven beschikt. In nauwe samenwerking met KNMP/WINAp zijn twee medicatieprofielen gedefinieerd om CVRM–patiënten te kunnen kenmerken: één voor patiënten die op basis van het medicatieprofiel (zeer) waarschijnlijk hart– en vaatziekten hebben, en één voor patiënten die op basis van het medicatieprofiel mogelijk hart– en vaatziekten hebben. Patiënten met DM type 2 die een medicatieprofiel hebben dat bij CVRM past, tellen formeel echter niet mee voor de integrale bekostiging van CVRM, omdat binnen het stelsel van integrale bekostiging die van DM type 2 leidend is. In de onderstaande berekeningen zijn deze patiënten evenwel niet geëxcludeerd.

Waarschijnlijk of mogelijk

Het kenmerken van de groep ’patiënten met (hoogst)waarschijnlijk hart– en vaatziekten’ geschiedt enerzijds op basis van medicatie die specifiek wordt ingezet bij de bestrijding of voorkoming van angina–pectorisklachten (o.a. nitraten) en anderzijds op medicatie ter voorkoming van bloedplaatjesaggregatie*. Op grond van deze medicatieprofielen bedroeg het aantal CVRM–patiënten in 2009 met waarschijnlijk hart– en vaatziekten per apotheek, uitgedrukt in percentages, gemiddeld 8% van de patiëntenpopulatie. Dit percentage varieert sterk per apotheek. In sommige apotheken is dit minder dan 4% (5% percentielscore), terwijl dat in andere apotheken oploopt tot ruim 14% van de totale patiëntenpopulatie (95% percentielscore). Met patiëntenpopulatie wordt hier het aantal mensen bedoeld aan wie in de apotheek in 2009 minimaal één keer een receptplichtig geneesmiddel is verstrekt.

Cardiaca

De groep patiënten die mogelijk hart– en vaatziekten heeft, kenmerkt zich volgens de definitie van het medicatieprofiel voornamelijk door de inzet van cardiaca (geneesmiddelen ten behoeve een goede werking van het hart en antihypertensiva, zoals diuretica, bètablokkers, calciumantagonisten of RAAS–remmers)**. Gemiddeld behoort 17,5% van de patiëntenpopulatie van de apotheek tot deze groep. Ook bij deze groep patiënten is de spreiding van de percentages tussen de apotheken eveneens sterk: van minder dan 13% tot boven de 25% van de totale patiëntenpopulatie.

Uiteenlopende kosten

De SFK heeft geen inzicht in de omvang van de werkelijk door apotheken verleende farmaceutische zorg voor patiënten die waarschijnlijk of mogelijk hart– en vaatziekten hebben. Als beschikbare maat daarvoor zouden de tariefinkomsten — exclusief de kosten van geneesmiddelen — kunnen worden beschouwd. Het aandeel van de groep patiënten die waarschijnlijk of mogelijk harten vaatziekten hebben, bedroeg in 2009 gemiddeld 25,5 %. De bijbehorende verstrekkingen van geneesmiddelen ten behoeve van de behandeling van het cardiovasculaire risico zijn verantwoordelijk voor 20% van de totale tariefopbrengsten in de apotheek, met een spreiding tussen de apotheken van 10,8% tot 26,7%. Als uitsluitend naar de geneesmiddelenkosten wordt gekeken, loopt dit aandeel per apotheek uiteen van 6,1% tot 16,6%.

* Patiënten met waarschijnlijk HVZ volgens WINAP/SFK-definitie hadden ten minste

  1. twee afleveringen van een nitraat voor aanvalsbehandeling van angina pectoris (AP) in de afgelopen twee jaar
  2. of een aflevering van een nitraat voor aanvalsbehandeling van AP en minimaal een aflevering van een bètablokker, calciumantagonist, antithromboticum of een onderhoudsnitraat in het afgelopen jaar
  3. of een aflevering van thrombocytenaggregatieremmer in het afgelopen jaar

** Patiënten met mogelijk HVZ volgens WINAP/SFK–definitie hadden ten minste

  1. een aflevering van een vitamine–K–antagonist, cardiacum, antihypertensivum, diureticum, bètablokker, calciumantagonist of raasremmer in het afgelopen jaar

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *